Door: Hans van den Broek, leerling van Pak Flohr

 

Na in de jaren ’60, de imponerende prestaties van een Mas. Oyama, Park Young Soo en Morihei Uyeshiba te hebben bewonderd en met een machteloos gevoel toe te hebben moeten zien hoe een Park Young Soo ons in ’67 achterliet met de nasmaak van echte Taekwondo waar wij even aan mochten proeven. Een Morihei Uyeshiba die iets van Aikido demonstreerde (deze toen 82 jarige expert bleef toen met zijn ± 60 kilo’s tellende lichaamsgewicht als aan de grond genageld zitten, terwijl 6 Taekwondoka’s een vruchteloze poging deden de oude man op te tillen), ging ik vol goede moed op zoek naar een leraar van het zelfde kaliber.

De teleurstellingen die ik op mijn weg ontmoette waren ontelbaar. Op zekere dag kreeg ik het adres van ene Flohr, die naar men mij verzekerde één van de vele Pencak Silat stijlen zou beheersen. Niet onder de indruk na mijn teleurstellende ervaringen maakte ik met hem een afspraak.

Eenmaal bij hem thuis aangekomen informeerde ik voorzichtig naar zijn kunde, hij verzekerde mij helemaal niets te kunnen.

Doch zijn beide handen, waarvan alle knokkels verborgen waren onder een dikke laag eelt konden zijn verleden niet verbergen.

 

Zijn nederigheid, eenvoud en zelfspot verbaasde mij en het zou pas veel later duidelijk worden dat dit slechts een klein onderdeel was van zijn geestelijke training, zijn leer.

Altijd had ik al de verhalen gehoord uit het oude Indië over de, met mystiek omgeven Pencak, waarvan de experts in het bezit zouden zijn van bovennatuurlijke krachten, naast mij neergelegd.

Na herhaaldelijk aandringen stemde hij toe, ik mocht hem aanvallen.

Maar wat schetste mijn verbazing, toen ik bij de gedachte om mijn rechtervoet bliksemsnel tegen zijn linkeroor te planten, een hand op mijn rechterknie voelde die belette dat mijn, enkele millimeters van de grond geheven voet verder omhoog ging.

Door juiste timing en schijnbaar geringe krachtinspanning brak hij mijn been bijna in twee helften. Niet in staat een woord te zeggen en overtuigd van het bestaan van een zesde zintuig, volgde ik hem naar een als oefenruimte ingerichte zolder, waar hij zijn vuist enkele centimeters voor een met zand gevulde jutezak hield.

Met een flitsende slag deed hij de zak kruislinks openscheuren, hij waarschuwde me hierop niet blind moest staren, immers de zak bewoog niet als een Pencakker.

Bewust veel van hem te kunnen leren besloot ik naar Breda te verhuizen.


 

Voor de leerzame lessen weigerde hij echter iedere vorm van betaling, tijdens deze lessen werd mij duidelijk dat er geen probleem bestond waar geen oplossing voor was.

En zo zal de stof van een goede guru nooit opraken en tot het oneindige doorgaan, helaas zal het hoogste bereikbare voor niet meer dan enkele leerlingen zijn weggelegd en niet voor een school. De 20 jarige trainingservaring van Pa Flohr in het oude Indië, waar zeven dagen soms van 8 uur ‘s morgens tot 11 uur ’s avonds werd getraind doen mij beseffen dat het leren van de originele Pencak met zijn moeilijke geestelijke training in onze westerse wereld geen haalbare kaart is.

Pak Flohr

Pak Flohr